Schilderijen van Robert B. Kelp

Laat ik beginnen met u gerust te stellen; op twee punten gerust te stellen. (1) Ik houd het kort, ik zal niet lang aan het woord blijven. (2) Ik zal over de schilderijen van Robert B. Kelp niets zeggen.

Misschien dat ik het tweede punt nader moet toelichten. Ik zou me namelijk kunnen voorstellen dat het u weliswaar enerzijds geruststelt, dat ik over de schilderijen niets ga zeggen, maar dat het u anderzijds enigzins verbaast. Ik moet er meteen ook bijvertellen dat ik de romantische denkstroming die het beeld boven het woord stelt, in de kunst het mysterie zoekt en in de kunstenaar het genie, als onzinnig beschouw en gevaarlijk en als schadelijk voor de kunst. Dus als u dacht dat mijn terughoudendheid om over kelps schilderijen te spreken romantisch is, dan heeft u het mis. Ik vind dat het schrijven en praten over kunstwerken aan die kunstwerken geen afbreuk doet, maar ze verrijkt. Ik denk ieder kunstwerk omringt door een zee aan teksten waaruit het werk -steeds weer- geboren wordt, die het werk -voortdurend- in leven houden en die het werk tot spreken brengen -altijd anders. Ik zeg als filosoof dat ieder kunstwerk ieder schilderij zelf een tekst is, die om interpretatie vraagt, juist omdat en juist daar waar het werk onleesbaar is. Ik zie er met andere woorden geen been in vrij uit na te denken, te spreken en te schrijven over de schilderijen van robert b kelp. Ze kunnen best tegen dat stootje en ik nodig u dan ook uit dat met elkaar dadelijk straks naar hartelust te doen. De reden, mijn reden om nu in deze toespraak niets over kelps schilderijen te zeggen is niet principieel, niet theoretisch, niet romantisch. Ik heb voor dat stilzwijgen een praktische reden. Het is een kwestie van enscenering, van timing, van geluk en gelukkig zijn. Alles wat ik nu over de schilderijen zou zeggen is te veel, staat in de weg, omdat het plezier zou wegnemen, het plezier van de eerste kennismaking, van de ontdekking, van het eerste intieme gesprek onder vier ogen. Als je een echte blind date hebt weten te arrangeren, zo een waarvan beide met jouw bevriende mensen geen weet hebben, zo een waarvan je weet en hoopt dat het goed zou kunnen uitpakken, maak dan nooit de fout de een uitgebreid over de ander te gaan vertellen. Terloops aan elkaar voorstellen is genoeg, bij kaas en wijn en stokbrood, gun ze zelf het plezier van de rest, de vondst, het eerste echte contact.

Ik ga over drie kwesties iets zeggen. Drie kwesties die niets met de schilderijen van robert b kelp te maken hebben. Drie kwesties waarvan ik niettemin hoop en weet dat ze de ontmoeting met de schilderijen zouden kunnen vergemakkelijken, het plezier zouden kunnen vergroten. Beschouw ze maar maar als de kaas, de wijn en het brood van deze blind date. Ik ga iets zeggen over de bescheidenheid van schilderijen, over filosofische kunst en over de vriendschap.

De joodsamerikaanse schilder en schrijver Mira Schor heeft onlangs een prachtige essaybundel gepubliceerd onder de tegendraadse titel “a decade of negative thinking” “tien jaar negatief denken”. Een van de gedachtegangen die zij in die bundel ontwikkelt, heeft betrekking op de relatie tussen de kunsten en de tijdgeest. Mira Schor concludeert dat het front van de tijdgeest, de avant-garde, zich al een hele tijd niet meer in de schilderkunst bevindt, de kunst waar die avant-garde zo lang, bijna een eeuw lang, haar bivak had. De schilderkunst zegt ze is door de avant-garde verlaten, achtergelaten, vergeten. Mira Schor is daar rouwig om en daarom niet somber. Het schilderij overleeft zegt ze en zal er waarschijnlijk zelfs wel bij varen. Het gevaar dreigt waar schilders in hun werk het vertrek van de avant-garde ontkennen of de terugkeer ervan willen afdwingen of bezweren. Grootse gebaren in de schilderkunst, zegt ze, zijn hol geworden, leeg, vals. Bescheidenheid past, zegt Mira Schor. Geslaagde schilderijen zijn bescheiden schilderijen. En heel zacht op de achtergrond van al haar teksten hoor je haar fluisterend vragen of niet heel de kunst, of niet alle kunsten afscheid van de avantgarde zouden moeten nemen. Avant who?

Filosofische kunst dat klinkt bijna net zo erg als feministische kunst.
Filosofen hebben van oudsher een moeizame relatie met de kunst. Kunstwerken hebben de filosofen altijd tot nadenken aangezet, tot nadenken gedwongen -vrijwillig ging het niet. Bijna met tegenzin, het is een kwestie van toegeven, erkenden ze dat de kunst een eigen domein van de cultuur schept en dat de filosofie er dus naar moet vragen, dat de vraag naar de schoonheid een van de allerlaatste vragen is. Maar bijna altijd ging die filosofische erkenning van de kunst met een devaluatie ervan hand in hand. De kunst is de zwakke broeder, of liever het zieke zusje, kunst is het voorstadium dat overwonnen moet worden, kunst is behelpen, kunst is van het lijf en de zintuigen, kunst is onderweg naar de verlichting een gevaarlijk gerieflijke pleisterplaats.
Degradeert filosofische kunst zichzelf en de kunst niet tot een illustratie?
Ik denk van niet. Ik denk dat de kunst zoals altijd intervenieert in de werkelijkheid zoals die is, was en gaat worden. Ik denk dat de kunst filosofischer wordt, omdat de werkelijkheid filosofischer wordt. Wie de wereld schept kan zich nog in de dingen verliezen, wie de geschiedenis in gang zet in de gebeurtenissen, wie het bewustzijn uitvindt in de ervaringen. Wie naar vrijheid streeft of naar rijkdom of naar geluk kan zich nog kwijtraken in de berekening van het handelen. Maar als de vragen naar de waarheid, de gerechtigheid en de schoonheid de geschiedenis gaan schrijven, valt er aan de presentie van de filosofie niet meer te ontkomen.
Marcel Duchamps was de eerste filosofische kunstenaar.
In de culture wars -religieus of niet- van deze tijd is elk kunstwerk een filosofische interventie. Filosofische kunst is nat water.

Een van mijn favoriete kunstfilosofen beschreef het grote kunstwerk als volgt: het grote kunstwerk is een werk dat de moeite loont om er een levenlang een relatie mee te onderhouden. Je bent er graag bij in de buurt, je denkt er aan als je weg bent, het roept steeds weer nieuwe vragen op, het stelt je af en toe voor verrassingen, het maakt je intens gelukkig. Voor de grote vriend geldt dit alles natuurlijk ook -en meer. Hij faalt, hij verandert en hij verandert niet, hij is onuitstaanbaar van zichzelf, hij vertel veel en houdt veel achter, hij maakt andere vrienden en houdt van ze. Ik geef hem de grootste rechten en weet daaraan vervolgens geen recht te doen. Hij doet me verdriet, hij maakt me kwaad. Hij wordt oud hij gaat dood. Maar bovenal hij verdraagt me, hij draagt me, hij draagt me ver, hij draagt me verder dan ik, zelf, hij draagt ons, tot voorbij, hij draagt ons de tijd voorbij.

admin

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *