De kunst van de twintigste eeuw

De kunst van de twintigste eeuw volgde een auto-de-constructief programma.

Twee lijnen, twee sporen kunnen daarin worden onderscheiden. Langs het ene spoor werd de idee van de schoonheid gedeconstrueerd. Die dekonstruktie van de schoonheid speelde zich in alle disciplines af maar het zwaartepunt ervan bevond zich een kleine eeuw lang in de schilderkunst. Langs het andere spoor werd de kunstpraktijk gedeconstrueerd. Dat spoor kende geen zwaartepunt, het werk gebeurde in de ruimte tussen de disciplines, in de ruimte tussen kunst en leven.

Kunstwerken langs de ene lijn provoceren als vanzelf de vraag “wat is schoonheid” en verbreden, verdiepen, vergroten tegelijkertijd het bereik van de schoonheid.
Kunstwerken langs de andere lijn provoceren als vanzelf de vraag “wat is kunst” en verbreden, verdiepen en vergroten tegelijkertijd het bereik van de kunst.

Het resultaat van die auto-de-constructie is paradoxaal: het repertoire van de schoonheid en dat van de kunst zijn nog nooit zo omvangrijk geweest als nu, het scheppen van schoonheid en het maken van kunst hebben nog nooit zo’n open karakter gehad als nu, de aanwezigheid van schoonheid en van kunst waren nog nooit zo wijd verspreid als nu.

Het auto-de-constructieve programma van de twintigste eeuwse kunst maakt die kunst tot de belangrijkste uit de geschiedenis. De giganten langs beide sporen, kunstenaars als Picasso en Rothko, als Duchamps en Beuys, hadden een vermoeden. Ze voelden aan dat hun radikale onderzoek van de schoonheid en de kunst met terugwerkende en vooruitwijzende kracht alle ”kunst” uit het verleden, alle toekomstige “kunst” zou gaan definieren. De twintigste eeuwse kunst is het absolute referentiepunt.

De auto-de-constructie van schoonheid en kunst is voltooid. Natuurlijk kan een kunstenaar de twintigste eeuwse gebaren herhalen. Hij is daar immers ook in opgeleid. Het is zelfs niet uitgesloten dat er nog uithoeken van schoonheid en kunst niet verkend zijn, dat er nog conventies verbroken kunnen worden, dat er nog technieken aan het repertoire kunnen worden toegevoegd. Maar de wet van de afnemende meeropbrengst is onverbiddelijk.

Zou het kunnen dat de post-twintigste eeuwse kunst een dienstbare kunst zal zijn? Een kunst die het autonome dat de bestaansvoorwaarde voor het auto-de-constructieve programma van de twintigste eeuwse was, achter zich laat? Een kunst die zo sterk staat dat zij de angst zich te verliezen in het andere kwijt raakt? Een kunst die zich niet meer primair verhoudt tot andere kunst maar tot individuen, instituties, samenlevingen en hun ontwikkeling? Een kunst van interventies?

Een informele kunst en cultuurruimte post- noemen is enerzijds een respectvolle buiging in de richting van die twintigste eeuwse kunst. Alle kunst is immers voor altijd post-twintigste eeuws. Zelfs de kunst die eerder gemaakt werd. Anderzijds kondigt die naamgeving ook het einde van de twintigste eeuwse kunst af, constateert de voltooing van haar programma, proclameert een overgangstijd.

In het laboratorium post- wordt de transformatiekracht van de kunst onderzocht.

Frans Geraedts